Ga naar hoofdinhoud
Het leven van een varken

Het leven van een varken

5 hoofdstukken · ± 19 min lezen

Gepubliceerd op

Laatst bijgewerkt op

Waar is gefilmd

26 locaties

Alle locaties

In juni 2011 publiceerde Ongehoord haar onderzoek naar de Nederlandse varkenshouderij. De schokkende beelden van dode varkens, ontstoken ogen, tumoren, verlammingen en kannibalisme zorgden voor opschudding in het hele land. De verscheidene keurmerken voor varkensvlees bleken weinig te verbeteren in het leven van deze gevoelige en intelligente dieren.

Natuurlijk leven

Hoofdstuk 1 / 5

Intelligent en gevoelig

Varkens zijn zeer intelligente, nieuwsgierige en sociale dieren. Zo kunnen varkens objecten met verschillende kleuren en vormen van elkaar onderscheiden, hebben ze een besef van tijd, kunnen ze individuen (zowel varkens als mensen) onderscheiden, hebben ze een langetermijngeheugen en zijn ze in sommige spelletjes beter dan honden en primaten. De Hogeschool voor Kunsten Utrecht en Wageningen UR hebben bijvoorbeeld een computergame ontwikkeld waarmee mensen met varkens kunnen gamen.

Van nature leven varkens in groepen die bestaan uit 1-4 moedervarkens (zeugen) en hun jongen en vaak maar 1 mannetje (beer). Spelen is erg belangrijk voor de ontwikkeling van varkens. Zo zijn biggen die opgegroeid zijn in een omgeving waar ze kunnen spelen met objecten en soortgenoten sociaal en cognitief meer ontwikkeld. Varkens slapen in nesten, wat meestal bestaat uit een kuil die zorgvuldig is bedekt met takken en/of gras. Daarnaast hebben varkens aparte gebieden waar ze hun ontlasting doen en zijn dus ook erg zindelijke en schone dieren als ze de keuze hebben. Aangezien varkens niet kunnen zweten, nemen ze regelmatig een modderbad om hun temperatuur te reguleren en zich schoon te houden. Varkens zijn met name ‘s ochtends en ‘s avonds actief, terwijl ze rond de middag vaak slapen en rusten.

Varken in een natuurlijke omgeving

De karakteristieke snuit van een varken is een van z’n belangrijkste lichaamsdelen, aangezien dit het contact met de buitenwereld is; hier zitten de meeste zenuwuiteinden en hiermee wroeten ze in de aarde. Varkens wroeten ongeveer 70% van hun tijd als ze de kans krijgen en doen dit niet alleen om voedsel te zoeken. Het wroeten werkt ook stressverlagend en voorziet in hun ijzerbehoefte door opname van ijzerrijke mineralen. Met hun neus kunnen varkens ook goed ruiken, wat een van de redenen is waarom varkens worden gebruikt voor het zoeken van truffels.

Varkens zijn erg gevoelige dieren. Zo kunnen varkens snel gestrest raken. Onverwachts lawaai en harde geluiden doen hun hartslag en bloeddruk bijvoorbeeld snel stijgen. Ook zijn varkens erg sociale dieren en zoeken ze graag lichamelijk contact met soortgenoten. Om te communiceren kunnen varkens wel 20 verschillende geluiden gebruiken, variërend van grommen tot krijsen. Varkens worden ook beïnvloed door de emotionele toestand van andere varkens, wat de meest simpele vorm van empathie genoemd kan worden.

Wanneer het varken precies is gedomesticeerd, is niet bekend, maar schattingen variëren van 7000 - 9000 voor Christus. Alle gedomesticeerde varkens stammen af van het wilde zwijn en geschat wordt dat er momenteel ongeveer 300 varkensrassen zijn.

Leven in de industrie

Hoofdstuk 2 / 5

Intensieve varkenshouderij

In Nederland leven er op dit moment zo’n 12 miljoen varkens, wat echter een vertekend beeld geeft van de werkelijke aantallen, aangezien er bijvoorbeeld ruim 30 miljoen biggen per jaar worden geboren. Van deze biggen sterven er ongeveer 6 miljoen vroegtijdig en omdat er meer biggen “geproduceerd” worden dan er kunnen worden vetgemest tot vleesvarken, wordt eveneens een aanzienlijk deel (6-7 miljoen) op jonge leeftijd geëxporteerd naar het buitenland. Daarnaast worden er ook nog eens 3 miljoen vleesvarkens levend geëxporteerd naar het buitenland. Hiermee staat Nederland in de top van de varkens exporterende landen in Europa. De varkensstapel bestaat uit ongeveer 1 miljoen fokvarkens, 2 miljoen biggetjes die nog bij de moeder zijn, 5 miljoen jonge varkens tot 50 kg en zo'n 4 miljoen vleesvarkens.

Vanaf 2000 is het aantal varkensbedrijven sterk gedaald. Zo waren er in 2000 7,7 duizend bedrijven en in 2015 was dat met 56% afgenomen tot 3,4 duizend. Echter, in diezelfde tijd is het aantal varkens met 12% toegenomen tot 12 miljoen, wat betekent dat er steeds meer varkens per bedrijf worden gehouden. De meeste varkensbedrijven staan in Noord-Brabant, Limburg en het oosten van het land.

Varkens in de moderne varkenshouderij zijn echter niet meer de varkens van vroeger. Inmiddels is een “fokzeug” 2 keer zo groot als een wild zwijn en heeft 2 keer zoveel tepels. Het selectief fokken van vooral de laatste decennia is puur gericht op maximale productie; zoveel mogelijk biggetjes en zo snel mogelijke groei. Zo groeit een varken met ongeveer 0,8 kg per dag en bereiken ze al na ongeveer 7 maanden hun maximale gewicht van 120 kg, waarna ze naar het slachthuis worden afgevoerd. Het selectief fokken op individuele eigenschappen gaat vaak ten koste van andere eigenschappen zoals gezondheid, stressbestendigheid en/of sociaal gedrag. Zo hebben de welbekende roze varkens (in vaktaal “witte” varkens) in verhouding korte poten en een lang lichaam en daardoor onnatuurlijke gewichtsverhoudingen met alle gevolgen van dien.

Varken in de intensieve veehouderij

Topigs Norsvin, een van de grootste fokbedrijven ter wereld, streeft naar “kruisingen” die 40 biggetjes per jaar kunnen “produceren”. Momenteel ligt dat aantal op 30-35 biggen per varken per jaar. Ter vergelijking: een wild zwijn krijgt gemiddeld maar 6-12 jongen per jaar (afhankelijk van het gebied waar ze leven en het voedselaanbod).

Grotere worpen worden in verband gebracht met een hogere biggensterfte en een negatief effect op het welzijn als gevolg van competitie tussen de biggetjes onderling, omdat er vaak te weinig tepels zijn om aan te zogen en door een lager geboortegewicht wat ze vatbaarder voor ziekten maakt. Ook voor het moedervarken zelf levert dit extra stress op. Omdat er gemiddeld meer biggen per varken worden geboren dan een zeug kan voeden, wordt er veelvuldig gebruikgemaakt van zogenaamde “pleegzeugen” en kunstmatige “opfoksystemen” (een soort couveuses). Wettelijk mogen biggen pas gespeend worden (bij hun moeder weggehaald) na 28 dagen en onder bepaalde voorwaarden bij wijze van uitzondering al eerder tot minimaal 21 dagen. Echter, dit laatste gebeurt in de huidige varkenssector niet incidenteel, maar structureel, vooral vanwege economische redenen. In conventionele huisvesting is spenen een abrupte en daardoor zeer stressvolle gebeurtenis voor biggetjes die vaak leidt tot een zogenaamde speendip, waarbij de voeropname, groei en weerstand van biggen verminderd zijn. In de natuur is spenen een geleidelijk proces dat 15-22 weken na de geboorte eindigt.

Een ander opmerkelijk verschil tussen varkens uit de intensieve varkenshouderij en “natuurlijke” varkens is de leeftijd. Vleesvarkens worden na 6-8 maanden al geslacht en zeugen vaak al na 2 jaar, omdat ze dan economisch niet meer rendabel zijn. In het wild worden varkens echter makkelijk 10-15 jaar en zijn er gevallen bekend van 20-25 jaar. In Nederland halen dus de meeste varkens hun eerste levensjaar niet.

Varkens in krappe hokken in de industrie

Leeftijdsvergelijking tussen industriële en natuurlijke varkens

Een zieke industrie

Hoofdstuk 3 / 5

Welzijn, ziektes en sterfte

De uitvinding en toepassing van de zogenaamde roostervloer is de meest ingrijpende ontwikkeling geweest in de (intensieve) varkenshouderij, zowel op economisch gebied als op het gebied van welzijn. Door de toepassing van roostervloeren kan mest en urine weglopen, waardoor absorberend stro niet meer nodig is (kale vloeren) en daarmee ook het arbeidsintensieve leegscheppen van hokken overbodig is geworden. Aangezien hiermee ook een aparte plek voor varkens om hun ontlasting te doen overbodig werd, konden meer varkens per vierkante meter gehouden worden, met voor de varkenshouderij bijkomende voordelen als lagere stookkosten e.d. Gemiddeld hebben varkens slechts ongeveer 1 vierkante meter ter beschikking. Varkens kunnen hierdoor echter niet meer hun natuurlijke gedrag vertonen, zoals nesten bouwen, gescheiden slapen en hun behoefte doen, wroeten, hun temperatuur regelen, etc.:annotation{:ids="11"}Het vermogen van dieren om hun normale of natuurlijke gedrag te kunnen vertonen is een van de pijlers van de definitie van welzijn.

Varkens op kale roostervloeren in de intensieve veehouderij

Huisvesting heeft tevens een groot effect op de emotionele toestand van varkens. Zo blijkt dat varkens op kale vloeren pessimistischer reageerden dan varkens op een vloer met verrijkingsmateriaal (stro). Ter vergelijking; voor hobbyvarkens wordt een oppervlakte per varken aangeraden van minimaal 75 m2. Ook al is er meer aandacht voor het welzijn van varkens vandaag de dag, het blijft erg beperkt en binnen de grenzen van de moderne manier van huisvesting. Zo is bijvoorbeeld “zoelen” (het bedekken van het lichaam met modder), oftewel een modderbad, erg onderschat in het welzijnsonderzoek bij varkens. Voor het tijdperk van de intensieve veehouderij werd het erkend als een normaal onderdeel in de varkenshouderij, terwijl vandaag de dag het kunnen zoelen een grote uitzondering is in plaats van de regel. Voor het regelen van hun lichaamstemperatuur zijn varkens overgeleverd aan de boer en ervaren ze op regelmatige basis hittestress, omdat de temperatuur vaak relatief hoog wordt gehouden om zo de activiteit van varkens te remmen voor een hogere groeiopbrengst. Anderzijds wordt er in varkensstallen, met name in de zomer, flink geventileerd, omdat het snel te warm wordt door de hoge varkensdichtheid en concentraties stof en ammoniak te hoog dreigen te worden. Tocht geeft echter onrust/stress en daarmee meer kans op staart- en oorbijten.

Varken met staartbijtwonden

Als gevolg van het niet kunnen vertonen van natuurlijk gedrag komt stereotiep gedrag bij varkens erg vaak voor. Stereotiep gedrag is het herhalen van lichaamsbewegingen en/of handelingen, zoals stangbijten, staartbijten en ander bijtgedrag, wat voortkomt uit verveling, frustratie en andere vormen van stress.

Staartbijten

Staartbijten is één van de grootste (welzijns)problemen in de moderne varkenshouderij. Om staartbijten te voorkomen worden jonge varkens op zeer jonge leeftijd gecoupeerd, ofwel: de staart wordt afgeknipt. Couperen is een erg pijnlijke ingreep en is zelfs niet in alle gevallen afdoende om staartbijten te voorkomen. Bovendien pakt het niet het onderliggende probleem aan. Volgens de Europese Richtlijn 2008/120/EG is het couperen van staarten van biggen toegestaan, maar mag het niet systematisch gebeuren. De praktijk laat echter anders zien.

Varken met gecoupeerde staart

De EFSA (European Food Safety Authority) heeft de volgende drie belangrijkste risicofactoren voor staartbijten geïdentificeerd:
  • De afwezigheid van stro
  • De aanwezigheid van een roostervloer
  • De aanwezigheid van een kale omgeving

Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat een verrijkte omgeving het staartbijten sterk doet afnemen. Echter recent onderzoek van de Wageningen UR laat zien dat staartbijten nog steeds plaatsvindt wanneer aan de 3 bovengenoemde welzijnseisen wordt voldaan. Dit impliceert dat varkens nog steeds stress hebben, ondanks een verbeterde, verrijkte omgeving. Dit sluit aan bij andere onderzoeken die vonden dat huisvesting weliswaar belangrijk is voor het welzijn van varkens, maar dat verbeterde huisvesting alleen (bijvoorbeeld biologische boerderijen) niet leidt tot optimaal welzijn, omdat er ook een genetische factor meespeelt (hoe stressgevoelig is een varken). Andere vormen van bijtgedrag zoals oorbijten, pootbijten en flankbijten zijn vergelijkbaar met staartbijten. Het komt eveneens voort uit verveling en andere stress als gevolg van het niet kunnen vertonen van natuurlijk gedrag. Zo worden biggetjes nadat ze bij de moeder worden weggehaald in grote aantallen bij elkaar geplaatst en komen varkens van verschillende moeders bij elkaar, wat extra stress en onrust oplevert.

Biggen dicht op elkaar in een kaal hok

Na een draagtijd van ongeveer 115 dagen krijgt een varken ongeveer 14 biggetjes. Een biggetje verblijft gemiddeld 25 dagen bij het moedervarken, waar hij moedermelk krijgt. Hierna worden de biggetjes zogenaamd “gespeend”, waarbij ze worden weggehaald bij de moeder en met tientallen bij elkaar worden gezet op de “speenafdeling”. Vervolgens verblijven de biggen ongeveer 7 weken op de speenafdeling tot ze ongeveer 25 kg wegen en gaan dan naar een vleesvarkensstal, waar ze vaak met 7-10 varkens in een hok zitten. Dit kan op hetzelfde bedrijf zijn (gesloten bedrijf), maar vaak gaan ze naar een specifiek “vleesvarkensbedrijf”. Hier verblijven ze ongeveer 4 maanden totdat ze 110-120 kg wegen, waarna ze worden afgevoerd naar het slachthuis. Een “vleesvarken” wordt dus voor zijn of haar eerste levensjaar vetgemest en geslacht.

Ziektes en afwijkingen

Door de onnatuurlijke leefomstandigheden, het constante stalklimaat en de hoge infectiedruk komen in de varkenshouderij tal van ziektes en aandoeningen voor. Eén van de belangrijkste redenen is dat continue de grens wordt opgezocht van maximale productie, waardoor de weerstand van een varken relatief laag is. Zo worden er bijvoorbeeld steeds meer biggetjes geboren, waardoor biggetjes relatief klein zijn en daardoor een lage weerstand hebben. Daarnaast gaat het selectief fokken voor een zo snel mogelijke groei ten koste van de weerstand van een varken, aangezien de meeste energie en voeding naar het aanmaken van spieren en vet gaan. Als tweede belangrijke factor voor het groot aantal ziekten kan de huisvesting genoemd worden. Varkens worden in onnatuurlijk hoge dichtheden en met grote aantallen gehouden, waardoor overdraagbare ziekten zich snel kunnen verspreiden. In 2015 had een gemiddeld varkensbedrijf maar liefst 3,4 duizend varkens, wat 155 % meer is dan in 2000. Het aantal bedrijven is in diezelfde tijd afgenomen met 56% tot 3,4 duizend bedrijven. Oftewel, er komen steeds minder, maar grotere bedrijven, wat het risico op uitbraak en verspreiding van ziektes verder vergroot.

Vanwege de lage weerstand van varkens en de hoge dichtheden/aantallen wordt antibiotica toegediend om uitbraak van ziekten te voorkomen. Een recent onderzoek onder varkenshouders in België laat zien dat op grote schaal preventief antibiotica wordt gebruikt, waarbij gezonde varkens tevens kritische middelen krijgen, die eigenlijk bestemd zijn voor infecties met resistente bacteriën. Hierdoor zijn pasgeboren biggen vaak al drager van resistente bacteriën. Varkens zijn dieren die erg gevoelig zijn voor een zuurstoftekort. Zo kan stress leiden tot een overbelasting met hartfalen en uiteindelijk de dood als gevolg. Dit is ook een van de redenen waarom varkens 12-24 uur voor transport naar het slachthuis geen eten meer krijgen (uitvasten). Vertering van voedsel vraagt namelijk veel zuurstof en in combinatie met de stress van het transport kan dit snel een zuurstoftekort veroorzaken. Veel ziekten zijn constant aanwezig op bedrijven. Zo zijn meer dan 95% van de varkensbedrijven bijvoorbeeld besmet met stalhoest (mycoplasma) en meer dan 90% van de bedrijven met PRRSv (abortus blauw).

Ziek varken met ontstoken ogen in een stal

Mycoplasma en PRRSv zijn samen met Chlamydia ook de bekendste veroorzakers van infecties aan de ogen. Deze typische rode, ontstoken ogen (conjunctivitis) komen veel voor bij varkens aangezien de veroorzakers op de meeste bedrijven aanwezig zijn. Naast bacteriële en virale infecties kan ook ammoniak voor rode ogen en ademhalingsklachten zoals hoesten en een geïrriteerd slijmvlies in de neus zorgen. Bij veel bedrijven wordt er in de winter te weinig geventileerd in verband met kostenbesparing (minder warmteverlies) en kunnen de concentraties oplopen tot 50 ppm. Het wettelijk maximum ligt op 20 ppm. Bij 3 uur lang blootstelling aan 50 ppm ammoniak is er al irritatie aan de ogen en het ademhalingsstelsel. Naast ademhalings- en spijsverteringsaandoeningen zijn ook poot- en klauwaandoeningen veelvoorkomend bij varkens. Qua vervroegde “afvoer” van zeugen van een varkensbedrijf staan poot- en klauwproblemen op de tweede plek na vruchtbaarheidsproblemen. Gemiddeld genomen heeft ongeveer zo’n 10% van de zeugen te kampen met kreupelheid bijvoorbeeld. Zo kunnen de gewrichten zelf zijn aangedaan, waarbij ontstekingen en osteochondrose het meest voorkomend zijn. Osteochondrose is een stoornis in de ontwikkeling van gewrichten. Dit wordt met name veroorzaakt door het selectief fokken van varkens voor een zo snel mogelijke groei (spier/vetweefsel) waarbij de botaangroei achterblijft. Bij vleesvarkens speelt dit nauwelijks aangezien ze worden geslacht voordat osteochondrose zich kan manifesteren. In Zweden is onderzocht dat zeugen in groepshuisvesting, waarbij er per dier meer ruimte beschikbaar is, minder zeugen last hadden van schouderabcessen (3,0% vs 13,4%) en klauwafwijkingen (4,6% vs. 9,1%) dan bij individuele losse huisvesting. Meer bewegingsvrijheid zorgt voor sterkere botten en spieren.

Varken met poot- en klauwaandoeningen

Naast de klassieke varkenspest is er de Afrikaanse varkenspest (AVP) die, zoals de naam al suggereert, met name in Afrika voorkomt. Sinds 2007 is het virus echter ook in Oost-Europa/Rusland waargenomen en vanaf 2014 in het oostelijk deel van Europa, waaronder Polen. In 2018 heeft het virus een sprong gemaakt naar België en is het aangetroffen bij wilde zwijnen in de provincie Luxemburg. Na het ontdekken van het virus bij wilde zwijnen in de Ardennen roepen boerenorganisaties, jagers, de VVD en CDA massaal op tot het afschieten van wilde zwijnen en het handhaven van de nulstand om mogelijke verspreiding van de Afrikaanse varkenspest (AVP) tegen te gaan. De Universiteit van Wageningen geeft aan dat de kans op verspreiding door wilde zwijnen in Nederland echter verwaarloosbaar is. Bij een eerdere uitbraak in Nederland en België werd de verspreiding veroorzaakt door menselijk handelen en niet door wilde zwijnen. Ook de recente ontdekking van AVP bij wilde zwijnen in de Ardennen lijkt veroorzaakt door menselijk handelen, omdat de afstand tot de besmette gebieden in Oost-Europa te groot is om door wilde zwijnen te overbruggen. Een andere mogelijkheid is dat half-tamme wilde zwijnen uit Oost-Europa zijn uitgezet in de Ardennen, wat niet de eerste keer zou zijn. Verschillende jagers hebben dit toegegeven en op basis van DNA-onderzoek is aangetoond dat half-tamme wilde zwijnen in de Ardennen zijn losgelaten. Bovendien zijn jagers zelf een van de grootste risicogroepen van het verspreiden van de ziekte. Door jachttoerisme kunnen ze in contact met besmette dieren in Oost-Europa komen en daarmee AVP Nederland inbrengen.

Wild zwijn in een bos

Wetenschappelijke studies laten bovendien zien dat jacht juist averechts werkt doordat het de ziekte verder kan verspreiden en het geen effectieve beheersmaatregel is. Dieren worden opgejaagd en vluchten, de balans wordt verstoord en lege plekken worden opgevuld door dieren van elders. Ook het bijvoeren van wilde zwijnen, wat veel door jagers wordt gedaan, werd bestempeld als extra risicofactor voor verspreiding van AVP in hetzelfde onderzoek.

Ten slotte wordt internationaal transport van (levende) dieren nauwelijks genoemd in de media en zeker niet door de boerenorganisaties zelf. Nederland importeert bijvoorbeeld varkens uit onder andere België en Duitsland, terwijl de export van levende varkens vooral naar Duitsland gaat, maar ook naar landen als Polen, Roemenië en Hongarije waar het AVP-virus al enige tijd voorkomt. Het is makkelijk om naar de wilde zwijnen te wijzen als potentiële verspreiders, maar het geeft een vertekend beeld van de feiten.

Sterfte

Hoofdstuk 4 / 5

Bij sterfte onder varkens wordt er vaak een onderscheid gemaakt tussen sterfte bij biggen en sterfte bij zeugen, aangezien dat de meest kwetsbare groepen zijn.

Biggensterfte

Bij biggensterfte wordt er onderscheid gemaakt tussen biggen die doodgeboren worden en biggen die sterven na de geboorte voordat ze bij de moeder worden weggehaald (spenen). In 2015 was het percentage doodgeboren biggen 7,6% ten opzichte van 6,9% in 2014. De biggensterfte na de geboorte is de laatste jaren ook toegenomen en was in 2015 13,8% ten opzichte van bijvoorbeeld 13,0% in 2012 (LEI, AgroVision).

Pasgeboren biggen bij een zeug

De oorzaak van deze toegenomen sterfte ligt vooral in de toename van het aantal biggen dat geboren wordt. Deze blijft namelijk door selectief fokken ook stijgen en was 14,2 biggen per zeug gemiddeld in 2014 ten opzichte van 11,4 in 2001. De biggen die geboren worden zijn door de steeds groter wordende worpgrootte (toom) vaker kleiner en daardoor zwakker. Bovendien is er het risico dat ze te weinig melk krijgen, aangezien het aantal biggen dat geboren wordt, sneller stijgt dan het aantal tepels van de zeug.

Van de biggen die dood geboren worden, behoort 75% bij de laatste 3. Vooral bij oudere zeugen duurt de bevalling namelijk langer door slappere baarmoederspieren. Ook wordt bij oudere zeugen vaker de bevalling opgewekt door oxytocine-injecties, met als risico dat de nageboorte eerder loslaat, waardoor de nog niet geboren biggetjes kunnen sterven aan een zuurstoftekort. Het kunstmatig opwekken van de geboorte met oxytocine gebeurt vaak ook nog eens te vroeg, waardoor de geboren biggen nog kleiner en zwakker zijn. In 2012 werd geschat dat ⅓ van alle varkenshouders in Vlaanderen de bevalling kunstmatig opwekte.

Zeug met biggen in een kraamkooi

De belangrijkste oorzaken van sterfte na de geboorte zijn ziekte en doodliggen. Doodliggen is het verschijnsel dat de zeug op de biggen gaat liggen of op een andere manier de big dooddrukt. Ook hier geldt dat het risico bij grotere worpen en biggen met een laag geboortegewicht groter is. Daarnaast hebben zeugen vaak poot/klauwproblemen en een slechte spierconditie als gevolg van langdurig staan, weinig bewegen en selectief fokken. Hierdoor hebben ze minder controle over het gaan liggen. Vandaar dat zeugen over het algemeen in een zogenoemde kraamkooi worden opgesloten, waarin ze zich nauwelijks kunnen bewegen, zodat de kans op het doordrukken van de biggetjes (die wel uit de kooi kunnen) wordt verkleind. Varkens zijn van nature dieren die een nest bouwen om in te bevallen. Echter, in de reguliere varkenshouderij kunnen ze géén uiting geven aan dit natuurlijke gedrag. Hierdoor zijn zeugen vlak voor de bevalling erg onrustig en hebben ze soms tijdens het bevallen nog nestbouwneigingen, wat het risico op dooddrukken vergroot. Ten slotte wordt er selectief gefokt op snelle gewichtstoename en veel biggen per worp, wat ten koste gaat van andere eigenschappen zoals een goed moederinstinct, waarbij zeugen alerter reageren op biggen. Samengevat sterft dus 1 op de 5 biggen.

Dode biggen als gevolg van hoge sterftecijfers

Zeugensterfte

Zeugen zijn in de moderne veehouderij ware productiemachines geworden; ze moeten in een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk biggen produceren. Zo gauw de “productie” afneemt, neemt hun economische waarde ook af en worden ze afgevoerd naar het slachthuis en vervangen. Normaal gesproken heeft een zeug gemiddeld 6 keer biggen gehad (geworpen). Hierna neemt het aantal doodgeboren biggen toe. Een zeug haalt daarom hooguit het vierde levensjaar. Echter, een groot aantal zeugen haalt dit niet door vervroegde afvoer of uitval. Vervroegde afvoer vindt plaats wanneer de productiviteit onvoldoende is. Vruchtbaarheidsproblemen en kreupelheid zijn de belangrijkste oorzaken voor vervroegde afvoer van zeugen. Uitval is vakjargon voor plotselinge sterfte of het ontstaan van dusdanig letsel dat een zeug ter plekke wordt afgemaakt. Internationale cijfers laten zien dat de gemiddelde zeugensterfte de laatste jaren stijgt en kan oplopen tot 10%. Dit wordt toegeschreven aan de toename in bedrijfsgrootte en de verhoogde lichamelijke belasting van zeugen. Rondom het werpen is het risico van sterfte het hoogst, aangezien zeugen dan de meeste stress ervaren. Ook is er een verhoogde sterfte in de zomer als gevolg van hittestress.

Verzwakte zeug in de varkenshouderij

Stalbranden

Stalbranden en met name de frequentie waarmee ze voorkomen zijn helaas ook een typisch gevolg van de huidige vorm van dierenhouderij. In 2016 kwamen maar liefst 13.592 varkens om in 8 stalbranden. In 2017 waren er dat ongeveer 50.000 in 7 branden. Doordat het aantal varkens per bedrijf nog steeds toeneemt, neemt het aantal slachtoffers per stalbrand ook toe. Stallen met dieren vormen sowieso een hoog brandrisico. Zo is de kans dat er een brand ontstaat bij een pluimveebedrijf 8 keer hoger dan bij een normale woning en bij een varkensbedrijf 6 keer. Aangezien de meeste dieren niet zelfredzaam zijn (met name varkens en kippen), de evacuatiemogelijkheden nihil zijn en er vaak maar 1 tot enkele personen aanwezig zijn op honderden tot soms wel duizenden dieren, zijn de overlevingskansen zeer gering. Ten slotte is Nederland een van de weinige landen waar automatische blusinstallaties géén gemeengoed zijn. Al blijft de vraag of dit veel zal helpen, aangezien de meeste branden zich razendsnel verspreiden via isolatiemateriaal in het plafond en het dak, waar bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie géén invloed op heeft.

Keurmerken

Hoofdstuk 5 / 5

Keurmerken

De varkensindustrie heeft vele keurmerken en projecten die claimen garant te staan voor meer dierenwelzijn. Veel beweringen zijn echter lastig te controleren, aangezien er geen eenduidigheid over termen heerst en wettelijke kaders vaak ontbreken. Zo is bijvoorbeeld de invulling van de term “scharrel” niet wettelijk vastgesteld. De regels voor het scharrelvleeskeurmerk zijn opgesteld door PROduCERT; echter, de voorwaarden worden niet vermeld op hun website en moeten worden opgevraagd via e-mail. De belangrijkste officiële keurmerken met betrekking tot dierenwelzijn zijn weergegeven in tabel 1, met een samenvatting van de bijbehorende eigenschappen. In figuur 2 is het aandeel van de verschillende beter leven keurmerken weergegeven.

GangbaarBeter Leven ★Beter Leven ★★Beter Leven ★★★Milieukeur2Skal BiologischScharrel
Oppervlakte per varken (m²)0,811,11,31–1,10,8–1,30,7–1,2
Uitloopneeneeoverdektoverdektneejaja
Oppervlakte uitloop vleesvarkens (m²)n.v.t.n.v.t.0,71n.v.t.0,4–1,025
Uitloop verhard?n.v.t.n.v.t.jajan.v.t.magmag
Uitloop overdekt?n.v.t.n.v.t.mag volledigmax. 75%n.v.t.max. 75%mag volledig
Couperen verbodenneeneejajaneejaja
Castratie verbodenneejaneeneejaneenee
Aantal dagen biggen bij moeder21–2821–28min. 35min. 42niet vermeldniet vermeldniet vermeld
Zeug los in kraamhokneeneevanaf 5 dagenvanaf 3 dagenniet vermeldjavanaf 4 dagen
Verrijkingsmateriaalkettingtouw, hout, strokokerstrostroja1ja1stro
Transport biggen (max. uur)onbeperkt644/62niet vermeldniet vermeldniet vermeld
Transport vleesvarken (max. uur)onbeperkt866niet vermeldniet vermeldniet vermeld

1 Niet nader gespecificeerd. 2 4 voor biologisch en 6 voor niet-biologisch.

Bij biologische varkenshouderij zijn er 2 keurmerken, namelijk het EKO-keurmerk en het Europees biologisch keurmerk. Bij het Beter Leven keurmerk 3 sterren, wordt er onderscheid gemaakt tussen niet-biologisch (Livar) en biologisch. Het verschil zit in de oppervlakte per dier voor de overdekte uitloop. Wat opmerkelijk is, is dat bij biologisch varkensvlees castratie niet verboden is. Vrij uitloop klinkt overigens mooier dan het is. Zo mogen de uitlopen verhard zijn en mogen ze in de meeste gevallen tot 75% overkapt zijn. Weidegang geldt alleen voor drachtige zeugen (Beter Leven 3-sterren). De ruimte per varken is minimaal voor de meeste keurmerken (0,6-1,0 m2 voor vleesvarkens en 1,0-2,5 m2 voor zeugen). Alleen scharrelvarkens hebben meer ruimte in de uitloop (25 m2). Zoals eerder genoemd wordt er voor hobbyvarkens bijvoorbeeld een oppervlakte van minimaal 75 m2 aanbevolen.

Scharrelvarkens met buitenuitloop

Meer ruimte kan echter ook nadelen hebben in de moderne veehouderij. Zo is onderzocht dat bij biologische varkenshouders de biggensterfte tot aan het spenen een stuk hoger ligt (± 20%) dan bij reguliere huisvesting (13%). Uit een ander onderzoek bleek dat bij los werpen het aantal doodliggers tijdens de geboorte lager was dan regulier, maar na het werpen hoger. Risicofactoren voor doodliggen zijn met name een groot aantal biggetjes, laag geboortegewicht van de biggetjes, gesteldheid van de benen van het moedervarken en stress bij het moedervarken en/of de biggetjes (competitie om moedermelk, geen goede moedereigenschappen door selectief fokken etc.). Ook al heeft het moedervarken meer ruimte, door de zeer onnatuurlijke leefomstandigheden en het selectieve fokken leidt dit dus niet automatisch tot een hoger welzijn van de varkens.

Wat kun je doen?

Deel dit onderzoek met je omgeving.

Bronnen

37 bronnen

Boek 8Sectorbron 1Mediabericht 1Officieel document 1Wetenschappelijke publicatie 1Overig 25

  1. Marino, L. & Colvin, C.M. (2015) Thinking pigs: a comparative review of cognition, emotion, and personality in Sus domesticus. International Journal of Comparitive Psychology, 28

    1
  2. Fokkinga, Anno (2004) Het varkensboek. Uitgeverij THOTH Bussum ISBN 9789068683738

    1
  3. Watson, Lyall (2004) The whole hog: exploring the extraordinary potential of pigs. Smithsonian books Washington. ISBN 1-58834-216-6

    1
  4. Sanders, Violette (2000) Het varken als gezelschapsdier. Etiko Uitgevers Nieuw Vennep ISBN 9789052661582

    12
  5. Reimert, Inonge (2014) (Em)pathetic pigs? The impact of social interactions on welfare, health and productivity. PhD thesis, Wageningen University ISBN: 978-94-6173-996-4

    2
  6. Groot Bruinderink, G & Dekker, Jasja (2010) Wilde zwijnen. KNNV uitgeverij ISBN 9789050113281

    2
  7. Rutherford, K.M.D. et al. (2013) The welfare implications of large litter size in domestic pig I: biological factors. Animal Welfare 22; p. 199-218

    2
  8. van Dixhoorn, I. et al. (2011) Scheiden van dieren. Wageningen UR Livestock Research, rapport 428

    2
  9. van Nieuwamerongen, S.E. et al. (2014) Literatuuronderzoek naar groepshuisvesting van kraamzeugen en hun biggen, rapport 757, Wageningen UR, Livestock Research

    2
  10. FAWC (Farm Animal Welfare Council) (2009) Farm Animal Welfare in Great Britain: Past, Present and Future. Farm Animal Welfare Council: Millbank, London, UK

  11. Douglas, C. et al.(2012). Environmental enrichment induces optimistic cognitive biases in pigs. Appl. Anim. Behav. Sci. 139, p. 65-73.

    3
  12. Diepens, R. (2016) Het grote kleine varkensboek. Natuurlijk op zuid ISBN 978-90-825135-0-9

    3
  13. Bracke, M.B.M. (2010) Zoelen van varkens en implicaties voor dierenwelzijn. Wageningen UR livestock research, rapport 381

    3
  14. EFSA (2007) Scientific Opinion of the Panel on Animal Health and Welfare on a request from Commission on the risks associated with tail biting in pigs and possible means to reduce the need for tail docking considering the different housing and husbandry systems. The EFSA Journal 611, p. 1-13

    3
  15. Bolhuis, J.E. et al. (2006) Effect of rearing and housing environment on behavior and performance of pigs with different coping characteristics. Appl. Anim. Behav. Sci. 101, p. 68-85

    3
  16. Geert van der Peet et al. (2016) Houden van varkens met een intacte staart. Invulling van stap 1 van de Verklaring van Dalfsen: demonstratieproject, praktijknetwerk en internationale samenwerking. Wageningen UR Livestock Research. Rapport 939

    3
  17. Sutherland M.A et al.(2013). Animal health and welfare issues facing organic production systems. Animals 3:1021-1035.

    3
  18. Aandoeningen bij varkens (2011) Afdeling duurzame landbouwontwikkeling, Vlaamse Overheid. Depotnummer D/2010/3241/391

    3
  19. CBS, 23-9-2016

    3
  20. Callens, Bénédicte (2015) Antimicrobial use and resistance in Belgian pig production, PhD thesis, Gent University

    3
  21. Aarnink, A. et al. (2014) Naar energieneutrale varkensstallen met luchtrecirculatie: de Enerlatiestal. Wageningen UR Livestock research; Livestock Research, Rapport 814

    3
  22. Wathes, C.M. et al. (2003) Ammonia concentrations and emissions in livestock production facilities: guidelines and limits in the USA and UK. Agricultural and Biosystems Engineering; Conference Proceedings and Presentations. Paper nr. 034112

    3
  23. Hultén, F. et al. (1995) A field study on group housing of lactating sows with special reference to sow health at weaning. Acta Veterinaria Scandinavica 36(2): p. 201-212.

    3
  24. Marchant, J.N. et al. (1996) Effects of dry sow housing conditions on muscle weight and bone strength. Animal Science 62(1): p. 105-113

    3
  25. Vandersmissen, T. et al. (2012) Doodgeboren biggen en uitval bij de biggen op het moderne varkensbedrijf. Brochure Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling

    34
  26. Aandachtspunten bij partusinductie (2012) Boerenbond, Management&Techniek; varkens. 8 juni 2012

    34
  27. Diepens, R. (2016) Het grote kleine varkensboek. Natuurlijk op zuid ISBN 978-90-825135-0-9

    34
  28. Langere levensduur zonder in te leveren (2011) Pig business; nr. 7

    4
  29. Aandoeningen bij varkens (2011) Afdeling duurzame landbouwontwikkeling, Vlaamse Overheid. Depotnummer D/2010/3241/391

    4
  30. Beek, J. Uitval van zeugen. Vakgroep Voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdiergeneeskunde. Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent.

    4
  31. Voortgangsrapportage 2016 van stuurgroep Actieplan Stalbranden 2012-2016, Bijlage 1 uit Evaluatie Actieplan Stalbranden 2012-2016,WU/IFV, rapport 1035

    4
  32. Diepens, R. (2016) Het grote kleine varkensboek. Natuurlijk op zuid ISBN 978-90-825135-0-9

    45
  33. Hogere bigvitaliteit in de Nederlandse zeugenhouderij, 5e voortgangsrapportage; 19 augustus 2015. Stuurgroep bigvitaliteit.

    5
  34. van Nieuwamerongen, S.E. et al. (2014) Literatuuronderzoek naar groepshuisvesting van kraamzeugen en hun biggen, Wageningen UR Livestock Research, Rapport 757

    5

Bekijk ons onderzoek naar de Nederlandse en Belgische dierindustrie met undercover beeldmateriaal.

Elke stal, boerderij en slachterij waar wij filmden, met de onderzoeken die er zijn gedaan.

Wij stellen een donatie zeer op prijs. Elke gedoneerde cent wordt besteed aan eerlijk onderzoekswerk naar de dierindustrie.

Doe mee met Ongehoord en help het welzijn van dieren te verbeteren. Ontdek hoe je kunt bijdragen aan ons werk.

Heb je een vraag of wil je iets kwijt? Neem dan contact met ons op via het contactformulier.

2026 OngehoordOpen data